Home

Monday, 7 June 2010

Barmhartigheid van God

Wat is Goddelijke barmhartigheid? God is liefde, maar barmhartigheid is Zijn liefde in het geval van ellende, vooral de grootste ellende, zonde. Maar wat betekent het precies?

Zo ver ik het weet is het woord barmhartigheid een vertaling van het latijnse woord misericordia (miser = arm, cordia = hart), dus be-arm hartigheid. Het heeft te doen met medelijden met armoede, ontfermen en vergeven enz. Het latijnse woord was zelf een vertaling van het Hebreeuwse woord HESED. Dat woord schijnt eigenlijk te betekenen Gods trouwe liefde die de mens altijd steunt.

Het is altijd zeer moeilijk om woorden te vertalen omdat je haast nooit precies dezelfde mening in een andere taal hebt. Dus wat betekent Hesed precies? Trouwe liefde, een verbintenis tussen God en de mens, een liefde die verplicht.

Ik geloof dat het woord Hesed van een wortel komt die de moederschoot betekent. Dus Hesed betekent eigenlijk de “schoot” liefde, de diepe primale oerliefde van een baarmoeder voor haar kind. Jezus gebruikte dat voorbeeld om te zeggen hoe groot Zijn liefde was: Kan een moeder haar kind vergeten, de kind van haar schoot? Onmogelijk, niet denkbaar. Maar toch zegt Jezus, zelfs als zij haar kind zou vergeten, ik zal jou nooit vergeten.

Dus laat Jezus ons zien dat Gods liefde als moederliefde is, alleen maar groter. Ook gebruikt Hij het beeld van een kip, een hen, die haar kuikens verbergt onder haar vleugels als er gevaar is. Als je ooit een hen hebt gezien die haar kuikens onder haar vleugels verbergt, zal je begrijpen wat een prachtig beeld dat is. Zelfs een dieren moeder laat ons zien hoe God ons lief heeft.

Dan is er ook het beeld van de verloren zoon en de vader die zo bezorgd is dat hij elke dag gaat kijken, met veel pijn in zijn hart, of zijn zoon al terug komt. Dan als hij eindelijk terug komt is er absoluut geen gedachte van zijn zonden, maar alleen maar grote vreugde dat zijn zoon weer tot het leven is gekomen.

In Engels is er eigenlijk maar een woord voor Gods barmhartige liefde en dat is eigenaardig, want Engels is een zeer woordenrijke taal. Nederlands heeft drie manieren om over Gods barmhartigheid te spreken.

De eerste is in het Kyrie Eleison in de Mis. In Engels zeggen wij, Lord have mercy, maar in Nederlands is het Heer, ontfermt U over ons. Het woord “ontferm” heeft de betekenis van een machtige en liefdevolle mens die een arm weeskind aanneemt en hem tot zoon maakt. Dus als wij zeggen, Heer ontfermt U over ons, vragen wij dat Hij ons als een arm weeskind aanneemt. Dus spreken wij God aan als Vader.

De tweede is waneer wij God om vergevenis vragen. In Engels is het weer hetzeflde woord, Merciful God, I am sorry for my sins. In Nederlands zeggen wij, Barmhartige God, ik heb spijt over mijn zonden. Dus vragen wij aan het hart van God, het hart van moederliefde, dat voor ons doorgestoken was, om ons te vergeven. Het is dus een gebed aan Jezus, de tweede persoon van de Heilige Drie-Eenheid.

De derde is waneer wij zeggen, in Engels, Lord be merciful to me a sinner. In Nederlands, Heer ben mij zondaar genadig. Dus vragen wij Hem om ons niet te behandelen zoals wij het verdienen, maar om ons te vergeven en ons toch de gavens (genaden) te geven die wij zo erg nodig hebben voor ons geestelijk leven. Dit is de genade van de Heilige Geest, de heiligmakende genade die ons deel maakt van de Goddelijke natuur, en dus is dat een gebed tot God de Heilige Geest.

Dus vragen wij de Vader om zich over ons te ontfermen, door de barmhartigheid van Zijn Zoon, in de levensgevende genade van de Heilige Geest.

God is liefde, en de natuur van liefde is dat het altijd geluk wil brengen. Het doel van de schepping was dat schepselen het eeuwige geluk van Gods liefde konden ervaren, door Gods natuur te delen. Gods geluk is ons gelukkig te maken!

Maar door de erfzonde zijn wij van de gave van de Goddelijke natuur beroofd en zijn wij teruggevallen op onze menselijke natuur, maar een gevallen menselijke natuur, waar wij onderhevig zijn aan de drie begeertes. Men denkt hier aan de man die door rovers aangevallen was en zwaar gewond bij de weg was gegooid. Uiteindelijk was het een Samaritaan, een vreemdeling (God), die de man (een Jood, een vijand) opnam, zijn wonden behandelde en hem naar de herberg (Kerk) bracht, met de opdracht hem te verplegen totdat hij terug zou komen.

God is onze naaste

Men denkt ook aan de verloren zoon (de mensheid) die vrijwillig het huis van zijn vader verliet (erfzonde) om zich overtegeven aan de bekoring van het onafhankelijke leven. Hij nam met zich zijn grote ervenis en dus kon hij een hele tijd leven van de rijkheid die hij van zijn vader had gekregen. Zo kan ook de mens en de samenleving die God verlaat nog een hele tijd leven van het geestelijke goed die hij meegekregen heeft. Maar omdat hij niet meer met de Vader leeft, groeit het fortuin niet meer en is de mens uiteindelijk failliet.

Toen kwam hij tot zichzelf en zei: “Zoveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik verga hier van de honger! Het is zijn wanhoop die hem drijft. Ik ga terug naar mijn vader. Ik zal hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u; ik ben het niet meer waard om uw zoon te heten, behandel me als een van uw dagloners.” En hij ging terug naar zijn vader.

Dan, als de mens hongerig en dorstig wordt en verrekt van de armoede (hij zou graag het varkensvoer hebben gegeten, voor de Jood iets onvoorstelbaars) begint hij zich te bezinnen. Pas de ellende bringt hem aan de gedachte dat hij God moet vinden. Pas de ervaring dat hij niet in een aarts paradijs leeft,en de gevolgen zijn zonde, zijn vervreemding van God en de diepe pijn dat een leven zonder hoop en liefde brengt, kan hem tot bezinning brengen.Hij begrijpt dan dat wij niet zonder liefde (God) kunnen leven en dat een levenswijze zonder God alleen tot ellende leidt. Er is nog geen kwestie van berouw over zijn zonde, het is gewoon zijn ellende, de zekerheid dat hij zal sterven in ellende die hem terug aan God trekt.

Ellende was altijd het gevolg van de zonde. In Genesis zien wij hoe God de mens uit het paradijs werpt en het sluit. In de werkelijkheid is het wij die zelf het paradijs van Gods liefde hebben verlaten, het echte aarts paradijs, toen wij God nog in ons hart hadden en vertrouwlijk met hem omgingen. Dat was de tijd dat wij hem nog hoorden wandelen in de koelte van de namiddag. (Genesis)
Maar door God te verstoten, leven wij nu in een droog en moeilijk land en ervaren wij dagelijks de ellende van onze zwakheid, de eenzaamheid van een liefdeloos bestaan, de hopeloosheid van de dood en de dagelijkse dreiging tegen ons leven. Het is Gods barmhartigheid die ons zo gemaakt heeft dat wij niet gelukkig kunnen zijn zonder Hem. Maar zo ver zijn wij van het ware leven van liefde vervreemd, dat wij ons tevreden zouden stellen met varkensvoer, de dagelijkse vreugden van genoeg te eten een goede baan, menselijke liefde enz. Niet dat die dingen in zichzelf slecht zijn, maar als zij een substituut worden voor God, zoals vaak het geval is, dat is het varkensvoer.

Maar vaak krijgen wij zelfs dat varkensvoer niet. Vaak gaan dingen verkeerd en veliezen wij wat wij zou noodzakelijk vinden, onze baan, ons geld, onze verhouding met mensen, onze gezondheid enz. Dan beginnen wij pas echt te hongeren en pas dan beginnen wij naar God te zoeken.

Het is dus de ervaring van pijn dat de leugen geeft aan onze zelfstandigheid, de waanzinnige poging om ons geluk in ons zelf te vinden, om onafhankelijk van God te zijn, om onze eigen God te zijn, om te zijn zoals God.

De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger.

Het is door de ervaring van onze essentiele armoede en ellende, onze pijn, het niets zijn, het minder dan niets zijn door zonde, dat wij naar God zoeken. Wij zoeken hem vanwege onze ellende, vanwege onze nood, niet vanwege onze liefde.

Het is dus niet onze liefde voor de Vader die ons drijft, maar onze ellende. Maar God de Vader ziet ons al terwijl wij nog zo ver weg zijn en rent ons tegemoet:

Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem.

Het is God die ons tegemoet komt en ons begint te omhelsen en te kussen, nog voordat wij iets kunnen zeggen. Het is de ervaring van Zijn onstuimige, onvoorwaardelijke liefde die ons dan de moed geeft om ons berouw te stamelen.

Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”

Bewust van onze zonde en zijn schuld, en onbewust van de grootheid van Gods liefde vragen alleen maar dat hij een knecht mag zijn in ons Vaders huis, zo dat wij niet zouden sterven. Onze schuld is groot. Wij hebben God niet alleen grondig beledigd, maar hebben Zijn rijkheid, Zijn gavens verloren door een zondig leven. Wij hebben dus absoluut geen verdienste, niets waarop wij met rechtvaardigheid iets kunnen eisen. Om dat wij zelf zondig zijn, kunnen wij niet meer van God verwachten. Wij beperken onze verwachting van Hem omdat wij een grotere liefde niet kunnen voorstellen. Wij oordelen God met ons zelf als maatstaf. Wij denken dat God ons zou behandelen als of hij een zondig mens was, zoals wij het zelf zouden doen.

Maar daar is geen sprake van. Hij heeft zijn Vaders liefde nog nooit begrepen. Zijn liefde is totaal onbaatzuchtig. Zijn geluk is Zijn kind gelukkig te zien in de gemeenschap van Gods liefde. Rechtvaardigheid komt niet te pas. De Vader geeft hem nog niet eens een antwoord! Er is geen berisping, geen les, geen verontwaardige gevoelens, geen voorwaardelijke vergevenis. Er is zelfs geen sprake van vergevenis! Alleen overgrote en onvoorwaardelijke vreugde en liefde!

Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen.

Met het gewaad wordt hij weer gekleed met de mantel van liefde, het inwonen van de Heilige Geest en wordt hij weer opnieuw geboren in het leven van God. De ring was was een zegelring, het teken van volmacht van en de vereniging met de Vader. De sandalen was een teken dat hij niet een knecht, maar een zoon was. Het gewaad, de ring en de schoenen waren dus een teken van onze voledige onderdompeling, doop, in de Heilige Drie_Eenheid. Het beeld van de heilige Drie-Eenheid is nu weer herstelt en de mens is van de dood opgestaan.

Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren,] want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.

Er is geen grotere vreugde in de hemel dan voor een zondaar die zich bekeerd. Een leven dat verloren was, een ziel die al met een voet in de hel stond, een mens die geestelijk dood was is weer herboren tot het eeuwige leven.

Wat is dat geestelijke leven? Hier de gelijknis is dat van een feest, waar het fijnste voedsel wordt gegeten. Als men diep gelukkig is, als er iets gebeurd is dat ons zeer gelukkig maakt, dan willen wij dat altijd scharen. Wij roepen daarom onze vrienden tezamen om ons geluk te delen zodat iedereen gelukkig zal zijn. Geluk wil zich altijd scharen, want dat vermenigvuldigt het geluk. En typiesch doen wij dat door het consumeren van voedsel. Voedsel houdt ons in het leven en is daarom het diepste symbool van geluk, van het leven. En op een feest hebben wij voedsel en het geluk in overvloed.

Maar dit aardse beeld omhult de diepste hemelse realiteit.

Wordt vervolgd!

No comments: